basis, analoge fotografie, analoge fotografie basis, analoge kiekjes, termen, analoge termen

Termen uit de wereld van analoge fotografie

ASA? DOF? Bokeh? In de wereld van analoge fotografie zal je regelmatig termen tegenkomen die je in eerste instantie misschien niet meteen zult begrijpen. Om je een handje op weg te helpen heb ik een lijst samengesteld van een aantal basis termen om uit te leggen wat ze precies betekenen. Uiteraard zijn er nog veel meer termen in analoge fotografie, maar met deze lijst kom je al een heel eind! Wil je toch meer uitleg over bepaalde termen? Vraag er dan gerust naar in de reacties. Dan zal ik deze persoonlijk voor je beantwoorden en eventueel toevoegen aan deze lijst.

A

Analoog –  Bij klassieke toestellen wordt alle beeldinformatie die als licht de lens passeert opgeslagen op een lichtgevoelige film. Deze film moet eerst chemisch bewerkt worden, waarna de foto’s via een nieuwe stap, weer met een chemisch proces, kunnen worden afgedrukt. (Bron: encyclo.nl )

Aperture – Dit is de Engelse benaming voor diafragma. Een diafragma is de verstelbare opening in de lens van een camera. Het diafragma bepaalt hoeveel lichter er door de lens wordt gepasseerd. Het diafragma wordt uitgedrukt door middel van een F-getal. Een laag getal, betekent een groot diafragmaopening en dus meer lichttoelating door de lens. Voorbeeld: F2.8 is veel licht. F22 is weinig licht.

AV / Aperture Priority – Dit is de Engelse benaming voor diafragmaprioriteit, wat een half-automatisch belichtingsmodus is. Door van deze modus gebruik te maken kan de fotograaf zelf het diafragma bepalen terwijl de camera de juiste sluitertijd erbij kiest voor een optimale belichting. Bij Canon wordt deze modus AV genoemd, aperture value.

ASA – American Standards Association fotografische belichting systeem voor lichtgevoeligheid van film aan te duiden. Tegenwoordig wordt dit ISO genoemd. Hoe hoger de ASA, hoe gevoeliger de film is.

Autoexposure – Een modus waarbij de camera zelf de instellingen van de belichting voor de foto regelt.

AF / Autofocus – AF is een afkorting voor Autofocus. Een camera instelling waarbij de camera zelf de scherpstelling bepaald. Bij analoge fotografie is AF niet de standaard, maar wordt alles handmatig scherpgesteld.  AF werd namelijk pas rond de jaren zestig voor het eerst beschikbaar bij Polaroid.

B

B – B is een modus op de camera die staat voor de sluiterinstelling; Bulb. In de bulb-modus staat de sluiter net zolang open totdat je de ontspanknop van de camera weer loslaat. bulb-modus wordt vooral gebruikt wanneer je een langere sluitertijd nodig heb in bijvoorbeeld donkere shots en wanneer de sluitertijden die de camera zelf biedt niet lang genoeg zijn.

Belichting – Het proces waarbij de film wordt blootgesteld aan licht dat door de lens naar binnen valt. Om een goede foto te maken, moet er voldoende licht op de film terechtkomen.

Bewegingsonscherpte – Wanneer je een sluitertijd bij bewegende onderwerpen die te langzaam zijn krijg je bewegingsonscherpte. Je foto’s zijn dan niet scherp. Ook de trilling van je hand kan bewegingsonscherpte creëren wanneer je een te lange sluitertijd gebruikt.

Blown out –  De Engelse term voor een overbelichte foto of  een overbelicht deel van een foto waardoor de details verloren zijn.

Bokeh – Japanse Term die de kwaliteit van de onscherpte in een foto uitdrukt. Het gaat om de onscherpte die ontstaat doordat het voorwerp buiten het scherptevlak ligt.

Bracketing – is een term voor het maken van een reeks van foto’s waarbij een bepaalde instelling steeds iets verandert om te garanderen dat één van de opnames de correcte belichting heeft.

Brandpuntafstand – De afstand tussen de film en het midden van de lens. Een lens met een korte brandpuntafstand heet een groothoek, een lens met een lange brandpuntsafstand heet een tele(lens). Zoomlenzen hebben een variabele brandpuntafstand, prime lenzen hebben een vast brandpunt.

Bulb – Sluiterinstelling “B”, in de bulb-modus staat de sluiter net zolang open totdat je de ontspanknop van de camera weer loslaat. bulb-modus wordt vooral gebruikt wanneer je een langere sluitertijd nodig heb in bijvoorbeeld donkere shots en wanneer de sluitertijden die de camera zelf biedt niet lang genoeg zijn.

C

Camera Shake – De Engelse term voor ‘ bewegingsonscherpte’. Onscherpte in een opname veroorzaakt door het bewegen van de camera tijdens het maken van de opname met een lange sluitertijd.  Te herkennen aan dat op de gehele opname de bewegingsonscherpte te zien is.

Camera obscura – Letterlijk ‘Donkere Kamer’ in Latijn, Een zwarte ruimte met een kleine opening waardoor een beeld geprojecteerd wordt aan de tegenoverstaande wand. Dit wordt ook wel Pinhole genoemd.

CLA – Clean, Lubricate, Adjust. Een afkorting voor een service beurt van een camera.

Close-up lens – Adapter of voorzetlens waarmee de camera dichterbij scherp gesteld kan worden.

Color cast – Engelse term voor kleurzweem, een (vaak ongewenste) onnatuurlijke kleur over een foto. De oorzaak van een kleurzweem kan verschillen. Het kan onder andere te maken hebben met dat de film verlopen is.

Color saturation – Engelse term voor de puurheid en intensiteit van kleuren in een opname. De mate waarin de pure kleur met wit of grijs is vermengd.

Compositie – Hoe de diverse elementen in de foto zich verhouden tot elkaar en tot het beeldkader. Het artistieke deel van fotografie.

Contre-jour – Wanneer de belangrijkste bron van licht zich achter het onderwerp bevindt, in het Nederlands wordt dit ‘tegenlicht’ genoemd.

Contrast – Het verschil tussen tegenstellingen. Bijvoorbeeld tussen licht en donker of tussen twee kleuren, tussen personen. Een hoog contrast is een groot verschil, zwart en wit, dag en nacht.

Crop – Engelse term voor ‘uitsnijden’. Wanneer een compositie net niet helemaal recht is kan de foto zo worden bijgesneden dat deze vervolgens wel recht is.

D

Darkroom – Engelse term voor DOKA, oftewel Donkere Kamer. Een volledig verduisterde ruimte voor het ontwikkelen en afdrukken van film.

Diafragma – Een verstelbare opening in de lens van de camera, die bepaalt hoeveel licht door de lens kan passeren. Het diafragma wordt uitgedrukt door het diafragma getal. Een laag getal betekent een grote diafragma opening.

Diafragma prioriteit – Een half-automatische belichtingsmodus. Door van deze modus gebruik te maken kan de fotograaf zelf het diafragma bepalen terwijl de camera de juiste sluitertijd erbij kiest voor een optimale belichting

Diffusor – Een kunststof opzetstuk voor op je reportageflitser waarmee het flitslicht niet alleen recht uit de flitskop komt, maar ook nog enigszins in een diffuus licht rond wordt geworpen. Voor binnengebruik waar het licht kan reflecteren van nabijgelegen oppervlaktes.

DIN – Oude Duitse indicatie voor Lichtgevoeligheid van de “Deutsches Institut für Normung”. Iedere 3 DIN verdubbeld de gevoeligheid.  15 DIN = 25 ASA, 18  DIN = 50 ASA enzovoorts.

Diopter correctie – Een toevoeging voor de zoeker van een camera dat het beeld corrigeert voor mensen met een zichtafwijking zodat ze zonder bril door de zoeker kunnen kijken. Soms is dit ingebouwd, anderen vereisen een externe toevoeging.

DOF – Depth of Field, Engelse term voor scherptediepte. Hiermee wordt de afstand bedoeld tussen de dichtstbijzijnde en verste punten die scherp worden afgebeeld.  Een grote scherptediepte betekent dat heel veel scherp is afgebeeld. Bij een kleine scherptediepte is een groot deel van de scène onscherp. De scherptediepte wordt bepaald door het diafragma, de brandpuntafstand van de lens en de afstand tot het onderwerp.

Doka – Donkere Kamer,  Een volledig verduisterde ruimte voor het ontwikkelen en afdrukken van film.

E

Exposure – Engelse term voor ‘belichting’, het proces waarbij de film wordt blootgesteld aan licht dat door de lens naar binnen valt. Om een goede foto te maken, moet er voldoende licht op de film terechtkomen.

F

Filter – Een optisch hulpstuk dat op het objectief van een camera geschroefd wordt of in een daartoe bestemde filterhouder geplaatst wordt. Voorbeelden van filters:

Zwart / wit
– Geel: verhoogd het contrast lichtjes.
– Oranje: verhoogd het contrast en geeft bij portretten natuurlijke tinten van de huid.
– Rood: verhoogd het contrast sterk en geeft donkere luchten bij landschappen voor een dramatisch effect
– Groen: verhoogd voornamelijk het contrast tussen bladeren en bloemen en wordt daarom veel gebruikt bij het fotograferen van planten.
– Blauw: verlaagd het contrast en geeft een zachtere atmosfeer aan de foto. Mist en hei wordt juist versterkt.
– De verschillende effecten van zwart/wit filters

Overige filters:

Grijsfilter: Ook wel ND filter genoemd (Neutral Densitiy). Deze geven je de optie om het aanwezige licht af te zwakken zodat je een groter diafragma of langere sluitertijd kan gebruiken voor een opname. Voor minder scherptediepte of meer bewegingsonscherpte van het het onderwerp.
Polarisatiefilter: Hiermee worden reflecties van spiegelende oppervlaktes zoals water onderdrukt. Daarnaast werkt het contrast verhogend.
Sky-light filter: Heeft dezelfde werking als een UV-filter. Aanvullend reduceert dit filter de overmatige blauwheid die in buitenfotografie (met name op hoogte) kan optreden. Absorbeert enigszins licht in het groene deel van het spectrum (de filter zelf heeft een enigszins rozig/bruine kleur). Geeft een betere kleurbalans. Bij buitenportretten voorkom je groenige reflecties (van bomen) op de huid.
UV-filter: Absorbeerd Ultraviolet licht en onderdrukt blauwe zweem, met name bij het fotograferen boven de 1500meter hoogte.
IR-filter: Laat alleen infrarood licht door, noodzakelijk bij het verschieten van infra-rood gevoelige film.

Filterfactor – Indicatie voor de hoeveelheid licht die een filter absorbeert en waarvoor de belichting gecompenseerd dient te worden.

Flitser – De flitser van een camera produceert een krachtige lichtflits die het onderwerp verlicht dat je fotografeert. Heel veel camera’s bevatten een ingebouwde flitser, maar op de meeste modellen kun je ook een extra flitser monteren of draad(loos) verbinden met losse flitsers. Voor elektronische flitsers gangbaar werden, gebruikte men flitslampjes of poeder.

Full-frame – Een term die slaat op een 35mm film camera die een negatief produceert van 24 bij 36 mm.

G

GAS – Gear Acquisition Syndrom, ongeneeslijke aandoening waar veel fotografen last van hebben 😉

Gordijnsluiter – Sluitermechaniek waarbij één gordijn met sleuven of twee gordijnen met een sleuf  er tussen of een aantal lamellen de belichtingstijden bepalen. Flitssynchronisatietijd is vaak lang 1/20ste – 1/30ste seconde. Maar de kortste sluitertijden kunnen zeer kort zijn 1/1000ste tot zelfs 1/4000ste. De sluiter bevindt zich vlak voor de film.

Groothoek – Een groothoeklens is een lens met een korte brandpuntafstand. Dit type wordt gekenmerkt door een brede gezichtshoek en is daardoor erg geschikt om landschappen en gebouwen te fotograferen.

H

Half-frame – Engelse term voor Half-kleinbeeld, een negatief gemaakt met een 35mm film camera dat kleiner is dan 24x35mm. 18x24mm is een populair formaat

Half-kleinbeeld – een negatief gemaakt met een 35mm film camera dat kleiner is dan 24x35mm. 18x24mm is een populair formaat.

I

Infrarood – Een lichtsoort in een golflengte die niet zichtbaar is voor het menselijk oog. Door film te gebruiken die alleen gevoelig was voor infrarood licht krijg je een apart soort zwart/wit foto.

ISO – International Organisation for Standardisation fotografisch belichting systeem. Hedendaagse term om de  lichtgevoeligheid van de film in uit te drukken.

Invulflits – Een lichte flits om net de donkere schaduwpartijen iets in te lichten. Vooral bij tegenlicht is het een techniek om je onderwerp toch goed zichtbaar te krijgen

K

Kader – Het kader is een soort natuurlijk lijst in je foto. Door een kader te maken om je onderwerp kun je dat onderwerp juist extra nadruk geven.

Kleinbeeld – Een kleinbeeld is wanneer het negatief de maat van 35mm of kleiner heeft. Vanaf de jaren 60 was 35mm film het populairste formaat.  ‘Full-frame’ opnames in kleinbeeld hebben een afmeting van 24x35mm.

Kleurtemperatuur – Licht kan verschillende kleuren hebben. Kaarslicht is een behoorlijk stuk geler dan een xenon-koplamp. Het verschil hierin heet kleurtemperatuur. Deze wordt uitgedrukt in K van Kelvin. Lichtbronnen met een lage kleurtemperatuur hebben een lage kleurtemperatuur, dit heet ook wel een warme lichtbronnen. Licht met een hoge kleurtemperatuur worden aangeduid met een hoge kleurtemperatuur en koude lichtbronnen.

Kleurverzadiging – Puurheid/Intensiteit van kleuren in een opname. De maat waarin de pure kleur met wit of grijs is vermengd.

Kleurzweem – Een (vaak ongewenste) onnatuurlijke kleur over een foto. De oorzaak van een kleurzweem kan verschillen. Het kan onder andere te maken hebben met dat de film verlopen is.

L

Lens – Eén of meer elementen van optisch glas of vergelijkbaar materiaal, zoals plastic, waarmee licht vergaart en gebundeld wordt en een scherp beeld vormen op film, papier of scherm.

M

Macro – Macro-opnames zijn opnames die je van heel dichtbij maakt, bijvoorbeeld van een bloem of een insect. In geval van analoge camera’s is hier meestal een speciale lens voor nodig die dit ondersteunt.

Matglas – Een matglas wordt van oudsher gebruikt in fotografie (en Optica) gebruikt om een door een lens gevoerde lichtbundel weer te geven.

Meetzoeker – Een mechanisme dat geometrie gebruikt om de afstand tot het onderwerpt te bepalen voor het scherpstellen van de camera.

Middenformaat – De term wordt gebruikt om een bepaald filmformaat aan te duiden. Het omvat alle maten die groter zijn dan 35mm (kleinbeeldformaat) en kleiner dan grootformaat (4″ bij 5″ en groter).

Mik & Klik camera – Een camera met automatische instellingen voor de meeste functies zoals focus en belichting. In het Engels wordt dit Point & Shoot genoemd.

O

Objectief – Een correctere benaming voor de lens van een camera, bestaand uit één of meer lenzen en/of lensgroepen.

Onderbelichting – Wanneer het onderwerp op de foto te donker is, spreken we van onderbelichting. Soms is dit het gevolg van een verkeerde lichtmeting en kan je er iets aan doen door een positieve belichtingscorrectie toe te passen. Soms is er gewoon te weinig licht, en moet je de flitser gebruiken.

Overbelichting – Wanneer het onderwerp op de foto te licht is, spreken we van overbelichting. Soms is dit het gevolg van een verkeerde lichtmeting en kan je er iets aan doen door een negatieve belichtingscorrectie toe te passen.

P

Panorama – Een breed zicht, meestal van een landschap gemaakt met een speciale panorama camera of samengevoegd uit losse foto’s.

Pinhole – Een zeer kleine diafragma opening, eventueel met of zonder objectief. De opening is meestal niet groter dan een speldenprik. Een lange belichtingstijd is hierbij noodzakelijk.

Point & Shoot camera – De Engelse term van Mik & Klik. Een camera met automatische instellingen voor de meeste functies zoals focus en belichting

Q

Quick-Release plate – bodemplaat of accessoire voor een camera waarmee deze snel op een statief gezet kan worden en/of snel verwijderd kan worden.

R

Rangefinder – Engelse term voor ‘meetzoeker’. Een mechanisme dat geometrie gebruikt om de afstand tot het onderwerpt te bepalen voor het scherpstellen van de camera.

Regel van Derden – Compositieregel in fotografie die kan bijdragen aan een esthetisch meer aangename foto.

Rode-ogeneffect – Wanneer het licht van je flitser weerkaatst in de ogen van personen die je fotografeert, kleurt hun pupil bloedrood. De meeste camera’s bevatten een instelling om het rode-ogeneffect te reduceren; hierbij flitst de flitser meerdere keren, zodat de personen hun pupil vernauwt.

S

Scherptediepte – Hiermee wordt de afstand bedoeld tussen de dichtstbijzijnde en verste punten die scherp worden afgebeeld.  Een grote scherptediepte betekent dat heel veel scherp is afgebeeld. Bij een kleine scherptediepte is een groot deel van de scène onscherp. De scherptediepte wordt bepaald door het diafragma, de brandpuntafstand van de lens en de afstand tot het onderwerp.

Self-timer – Engelse term voor ‘zelfontspanner’. Een functie op camera’s die er voor zorgen dat er enkele seconden tussen het moment waarop je afdrukt en het moment waarop de foto daadwerkelijk wordt gemaakt. Dit geef je bijvoorbeeld de tijd om zelf ook op een groepsfoto te staan, of om een foto van jezelf te maken. Voor camera’s zonder ingebouwde zelfontspanners zijn er accessoire zelfontspanners beschikbaar.

Sluiter – Het mechanische en/of elektronische systeem dat ervoor zorgt dat voor een bepaalde tijd licht dat door de lens komt op de film kan vallen.

Sluitertijd – De tijd die een sluiter open blijft staan als deze geactiveerd wordt. De sluitertijd kan variëren van minder dan een duizendste van een seconde tot meerdere seconden. De sluitertijd bepaald hoeveel beweging gestopt wordt. Hoe korter de sluitertijd hoe kleiner de beweging die vastgelegd wordt.  Bij een lange sluitertijd neemt de kans op bewegingsonscherpte toe.

SLR – Single Lens Reflex Camera, Engelse term voor ‘spiegelreflexcamera’.

Spiegelreflexcamera – Een camera waarbij het licht dat door de lens valt via een spiegel afgeleid wordt naar de optische zoeker. Wanneer je afdrukt, klapt de spiegel op en wordt de film belicht.

Strobe: Andere naam voor een electronische flitser, met name wanneer dit als enige lichtbron gebruikt wordt.

T

T – Sluiterinstelling waarbij na één keer indrukken van de ontspanknop de sluiter open blijft staan totdat er nog een keer op de ontspanknop gedrukt wordt. Voor (zeer) langere belichtingstijden.

Tegenlicht – Wanneer de belangrijkste bron van licht zich achter het onderwerp bevindt, spreken we van tegenlicht.

Tele(lens) – Een telelens of tele is een lens met een lange brandpuntafstand. Dat levert een heel nauwe gezichtshoek, waardoor ze vooral geschikt is om onderwerpen te fotograferen die zich ver van je af bevinden.

Time – Sluiterinstelling waarbij na één keer indrukken van de ontspanknop de sluiter open blijft staan totdat er nog een keer op de ontspanknop gedrukt wordt. Voor (zeer) langere belichtingstijden.

TLR – Twin Lens Reflex Camera, Engelse term voor ‘twee-ogige-spiegelreflexcamera’.

Twee-oog camera – Twee-ogige-spiegelreflexcamera.  Hierbij is het zoekersysteem gescheiden van het opnamesysteem. Het zoekerbeeld wordt verkregen met een objectief dat (vrijwel) gelijk is aan het opnameobjectief en dat via een spiegel een beeld op een matglas werpt. De camera heeft dus twee objectieven, normaliter boven elkaar; deze zijn gekoppeld zodat de scherpstelling nauwkeurig op het matglas kan geschieden. Door de parallax zijn het zoekerbeeld en het filmbeeld echter niet 100% aan elkaar gelijk. In tegenstelling tot de eenogige reflexen wordt bij dit type de spiegel niet opgeklapt bij het maken van de opname, hetgeen resulteert in vrijwel geruisloze techniek.

U

Uitgebrand – Term voor een overbelichte foto of deel van een foto waardoor de details verloren zijn.

Uitsnijden –  De beeldverhouding van een afdruk aanpassen om de compositie te verfijnen of verschillende formaten afdrukken voor verschillende doeleinden te maken.

V

Viewfinder – zie “Zoeker”

Vignetering – is het afnemen van helderheid aan de randen van een afbeelding (donkere randen). Dit kan ontstaan doordat je een lens van “lage” kwaliteit gebruikt of doordat een lenskap of een (aantal) filters het licht blokkeren. Doorgaans is dit een ongewenst effect, maar door juist vignetering toe te voegen aan een foto (met name portretten) kun je de aandacht ook extra vestigen op je hoofdonderwerp. Daarbij kan het ook sfeerverhogend werken.

W

Wide-angle lens – Engelse term voor ‘groothoek’, een lens met een korte brandpuntafstand. Dit type wordt gekenmerkt door een brede gezichtshoek en is daardoor erg geschikt om landschappen en gebouwen te fotograferen.

Z

Zelfontspanner – Een functie op camera’s die er voor zorgen dat er enkele seconden tussen het moment waarop je afdrukt en het moment waarop de foto daadwerkelijk wordt gemaakt. Dit geef je bijvoorbeeld de tijd om zelf ook op een groepsfoto te staan, of om een foto van jezelf te maken. Voor camera’s zonder ingebouwde zelfontspanners zijn er accessoire zelfontspanners beschikbaar.

Zoeker – Vrijwel alle camera’s hebben een optische zoeker, hiermee wordt de compositie bepaald van het vast te leggen beeld.

Zonnekap – Een kap die rond de lens geplaatst wordt om licht dat van buiten de compositie komt af te vangen en daarmee het contrast verbeterd.

Zoom
Het systeem waarbij je de brandpuntafstand van de lens kunt veranderen. Een zoomlens heeft een bepaald bereik; men spreekt bijvoorbeeld van een drievoudige (3x) of vijfvoudige (5x) zoom. Het zoombereik drukt uit met welke factor je de brandpuntafstand vergroot. Bij een lens waarvan de brandpuntafstand kan variëren van 18 tot 55 mm is de zoomfactor bijvoorbeeld 3 maal. Dit is dan een drievoudige zoom.

Tini Groen


Mede mogelijk gemaakt door de informatie die ik heb gevonden op het Analoog Foto Forum.